De anesthesist zet de ruggenprik. Ongeveer iets onder het midden van je rug spuit hij een verdovingsvloeistof in. Vanaf onder de borsten ben je verdoofd. Je voelt geen pijn, maar wel een druk. Er wordt een slangetje in de rug geplaatst waardoor continu via een pomp verdovingsvloeistof wordt toegediend.
Je krijgt een blaaskatheter omdat je niet voelt wanneer je moet plassen. Je bloeddruk, zuurstofgehalte in het bloed, temperatuur en hartslag worden regelmatig gecontroleerd. De hartslag van de baby wordt continu via een CTG bewaakt.